ONDERWERPEN /PERSONEN/ OVERZICHT B.01
A Thema's B Personen C Organisaties D Besprekingen E Actuele Informatie

WEB100.B1.09 / GK983 Benno Houweling (17 febr.2009, versie 8)

“Het is belangrijk dat we gaan leren om van binnenuit, in vrijheid,
liefdevol en uit respect met de natuur en elkaar om te gaan.”

Benno Houweling:
“NIET KLAGEN, MAAR ER WAT AAN DOEN”

Door: Wim Robben*

In het najaar van 1966 vond Benno Houweling tijdens zijn tewerkstelling in Vledder, waar hij als erkend gewetensbezwaarde tegen militaire dienst een half jaar tewerkgesteld was, op de leestafel de juist verschenen brochure “Geweldloos Aktief” van het Centrum voor Geweldloze Weerbaarheid. De organisatie was kort daarvoor (in september 1966) opgericht en het doel ervan sprak hem aan. Toen hij najaar 1967 een aankondiging zag voor drie cursusweekenden ‘Geweldloos Actief’ in Nieuw-Loosdrecht, besloot hij daar aan deel te nemen. Zijn belangstelling was gewekt en tot de dag van vandaag, najaar 2008, is hij een van de dragers van de, inmiddels in naam gewijzigde, Stichting voor Actieve Geweldloosheid. Ook mijn betrokkenheid dateert uit die beginjaren tot heden, dus is er heel wat om samen op terug te kijken. Maar eerst een terugblik op de achtergronden van zijn leven.
In het kader van het 40-jarig bestaan van de Stichting voor Actieve Geweldloosheid wordt de vredesduif nu doorgegeven aan Toos en Wim die vanaf het begin bij deze organisatie betrokken zijn geweest. Over hun grote inzet voor het vredeswerk en voor ontwikkelingssamenwerking gaat dit artikel. De dag van 21 september is echter niet alleen de Internationale Dag van de Vrede, maar ook de geboortedag van Wim, terwijl Toos op 20 september geboren werd. Dit maakt de overhandiging van de Vredesduif, aan de kinderen van Toos (overleden op 7 maart 2005) en Wim (overleden op 16 juli 2006), nog extra bijzonder.

Jeugd
“Ik ben op 5 februari 1945 in Amsterdam geboren. Dat was midden in de hongerwinter van de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader moest in die tijd, zoals vele jongemannen, in Duitsland werken. Hij nam zelf het initiatief en ging bij een boer, juist over de grens achter Winterswijk, werken. Het beroep van mijn vader was gemeente-ambtenaar in Amsterdam. Mijn moeder zorgde voor het gezin met drie kinderen. Ik heb nog een jongere broer en zus. Ik denk nog steeds met een warm gevoel aan die tijd.
Naarmate de zorg voor het gezin afnam, besloot mijn moeder pedagogie te gaan studeren. Later specialiseerde zij zich in de andragogie (het functioneren van mens en samenleving). Na haar doctoraal werd ze aangesteld als coördinator en docent voor een nieuw te starten Hogere Beroeps Opleiding voor inrichtingswerk in Amsterdam. Ze ontdekte dat er een leemte was in de theorie en praktijk van het inrichtingswerk. Samen met haar collega schreef ze een boek dat de titel draagt: ‘Sociale agogiek. Systeemgerichte beleidsontwikkeling’. De inhoud gaat over de reden waarom veel organisaties slecht functioneren en wat er aan te doen is. Inmiddels is zij 85 jaar en heeft ze nog aan een volgende herziene druk gewerkt. Volgende uitgaven laat ze graag aan jongere generaties over. Mijn vader, nog altijd kwiek, is inmiddels 90. Hij ziet slecht, maar met de computer volgt hij, via een spraakprogramma, nog dagelijks het nieuws. Met de nodige hulp aan huis wonen ze, al weer vele jaren, in Castricum en nog altijd zelfstandig.

Op het gebied van religie waren mijn ouders lange tijd zoekende. Mijn vader kwam uit een Christelijk Gereformeerd gezin. Mijn moeder kwam uit een milieu waar niets aan religie werd gedaan. Zij werd tot haar 11e jaar opgevoed in een liberaal joods gezin. Ze kan daar nog steeds met warmte over vertellen. De weg van mijn ouders liep via de Remonstrantse Kerk, de Theosofie (1) en de Vrij-Katholieke Kerk. Maar al vele decennia zijn ze niet meer aan een bepaalde richting gebonden. Daarnaast had ik een schoolvriendje, waarvan de ouders bijzonder actief waren in de Theosofie en de Vrij-Katholieke Kerk. Van die kerk ben ik een aantal jaren lid geweest. In de Theosofie wordt ook weer verwezen naar het Boeddhisme en het Hindoeïsme. Door alles wat ik hoorde, las en meemaakte, heb ik religieus gezien een brede oriëntatie gekregen. Uiteindelijk koos ik Zen-meditatie, omdat dat het beste bij mij paste.

Wat politieke gezindheid betreft voelden mijn ouders zich het meest thuis bij links, maar ze zijn nooit lid geweest van een partij. Mijn voorkeur heeft altijd gelegen bij de PSP en later bij GroenLinks, maar ook ik heb mij nooit aangesloten bij een politieke partij.

Na de lagere school ging ik naar het Lyceum, maar na drie klassen stapte ik over naar de UTS (Uitgebreid Technische School) omdat mijn belangstelling toch meer bij de techniek lag. Al jong had bouwkunst mijn grote interesse, naast elektrotechniek en sterrenkunde. Mijn keuze werd bouwkunde. Daar bleek dat vooral het vak constructie mij aantrok. Dat werd de richting waarin ik me op het HTI (Hoger Technisch Instituut) in de periode 1965 - 1969 verder ging bekwamen. Na het basisjaar mechanica koos ik als specialisatie staalconstructies. Ik heb die opleiding niet afgemaakt, maar ging wel als constructeur aan de slag. Ik ben iemand die in de praktijk het gemakkelijkst leert. Het is een vak waar veel verandert en ik heb in de praktijk nog heel wat nieuwe kennis opgedaan, zowel over beton-, staal- als houtconstructies. Uiteindelijk werd dat laatste mijn specialisatie.”

Erkend gewetensbezwaarde en rijksambtenaar
“Nadat ik mijn studie aan de UTS afgerond had, stond de vervulling van de dienstplicht voor de deur. Tijdens de keuring had ik al laten weten dat ik beroep zou doen op de wet gewetensbezwaren. Mijn ouders steunden me daarin. Om begeleiding te krijgen bij de dienstweigeringsprocedure nam ik deel aan de bijeenkomsten die Cor Inja van de Doopsgezinde Vredesgroep organiseerde. Het principe ‘eerbied voor het leven’, was mijn belangrijkste motivatie. Ik ben in die tijd ook vegetarisch gaan eten. Ik las over Gandhi, Martin Luther King en over hun geweldloze acties. In mijn rekest voor het beroep op de Wet Gewetensbezwaren voerde ik voornamelijk humanitaire redenen aan en verwees tevens naar de Bergrede en de geweldloze alternatieven van Gandhi en Martin Luther King. Wat mij verbaasde tijdens de procedure was het rapport van de sociaal werkster. Ze had onze familiegeschiedenis en de achtergronden daarvan volledig door elkaar gegooid. Toen ik het bij Defensie mocht inzien, herkende ik het verhaal eerst niet. Mijn gewetensbezwaren werden erkend en, zoals gezegd, werd ik zomer 1966 in kamp Vledder tewerkgesteld. Daar hield ik me, samen met vele andere gewetensbezwaarden, eerst bezig met bosbouw. Later werkte ik in de huishoudelijke dienst van het kamp. Na een half jaar werd ik, vanwege mijn opleiding, overgeplaatst naar de Rijksgebouwendienst (RGD) in Den Haag. Daar werkte ik als bouwkundig tekenaar.

Toen mijn tewerkstelling ten einde liep, ging ik op zoek naar een baan. Het werk bij de Rijksgebouwendienst leek mij wel interessant. Het Rijk is de grootste beheerder van monumenten. De combinatie van constructie en bouwkunst sprak mij aan. Daarnaast kom je soms voor onverwachte verrassingen te staan en is het elke keer weer een uitdaging om daar een onorthodoxe oplossing voor te vinden. Bovendien kon ik mijn vak breed uitoefenen door zowel te berekenen, te tekenen als op de bouw de uitvoering van de constructie te controleren. In het bedrijfsleven zijn daar allemaal aparte mensen voor. Ik besloot als constructeur te solliciteren en werd daar aangenomen. Omdat ik nu mijn werk in Den Haag had ging ik daar in 1968 definitief wonen. Eerst huurde ik een kamer, later een etage in het Statenkwartier. Ik heb vele jaren met plezier bij de Rijksgebouwendienst gewerkt. Niet in het minst omdat ik heel prettige collega’s had en verder omdat het heel interessante werken waren: van gevangenissen, musea tot paleizen. Zo heb ik vele jaren aan het Rijksmuseum in Amsterdam gewerkt. Op 1 augustus 2006 heb ik afscheid genomen bij de RGD en ben met FPU (Flexibel Pensioen en Uittreden) gegaan. Ik heb nog steeds contact met mijn oud-collega’s en word uitgenodigd als er iets te vieren is of als er een excursie georganiseerd wordt.
In 1984 ontmoette ik Annet op een fotoreis door IJsland. Fotograferen is onze gezamenlijke hobby. Het klikte tussen ons en we besloten te gaan samenwonen. We hebben in december 1986 in Gouda een huis gekocht. Zij was onderwijzeres en vanuit Gouda konden we allebei ons werk gemakkelijk bereiken. We wonen daar alweer 22 jaar samen en we voelen ons nog steeds gelukkig met elkaar.”

Centrum en SVAG
“Zoals gezegd maakte ik, tijdens mijn tewerkstelling in Vledder, kennis met het toen juist opgerichte ‘Centrum voor Geweldloze Weerbaarheid’. Na een aantal cursussen gevolgd te hebben, nam ik op 20 december 1969 voor het eerst deel aan een bijeenkomst van het Centrum in Amsterdam, welke bij Henk en Rietje van de Brink gehouden werd. Ik heb dat verslag nog kunnen terugvinden. Daar hoorde ik ‘in de wandelgangen’ voor het eerst de naam Wim Robben vallen. Wel leuk om dat hier even te vermelden.

Januari 1970 ging ik naar een vergadering van de Werkgroep Voorlichting van het Centrum, bij Jan Wildschut in Utrecht. Daar bleek dat men iemand nodig had om de bibliotheek op te zetten en ik besloot om me daar mee bezig te gaan houden. De boeken, die bij Jan stonden, verhuisden naar Amsterdam, waar het Centrum een onderkomen had gevonden bij het Martin Luther King Centrum aan de Binnenkant.

Tijdens een weekend in Fortmond (sept. 1970) vroeg Evert Huisman, de initiatiefnemer en toenmalige voorzitter van Stichting / Centrum voor Geweldloze Weerbaarheid, of ik interesse had om in het Stichtingsbestuur te komen. Dat wilde ik wel en enkele weken later, op 2 oktober, zat ik er in. In de jaren die volgden waren er nogal wat wisselingen van voorzitter, nadat Evert in december 1971 was afgetreden. Ik nam tussen 1971 en 1985 voor kortere of langere perioden, meestal als secretaris, deel aan het dagelijks bestuur.

Een training, in die tijd, die mij altijd is bijgebleven en waar jij ook aan deelnam evenals Lia Boetes en Wiggert Platvoet, was in Joppe (jan.1971) met de Amerikaanse Quaker Lynne Shivers. We hielden toen een ‘Speakerscorner’ op de Brink in Deventer.

In de beginjaren kwam er nog een taak op mijn pad. In augustus 1970 bood Fred Roos, een schoonzoon van Lia en Otto Boetes, zijn voormalig vrachtschip ‘Gaja’ in Amsterdam ter overname aan. De in Amsterdam wonende Wiggert Platvoet, die als secretaris van de Werkgroep Voorlichting een centrale rol binnen het Centrum speelde en woonruimte zocht, wilde op de boot (een stevenaak) gaan wonen en in het omgebouwde ruim een ontmoetings- en trainingsruimte voor het Centrum beheren. Met mijn bouwkundige achtergrond leek me dit een mooie klus om me voor in te zetten. Ik kreeg de coördinatie en ging de boot opmeten en in tekening brengen voor de verbouwingsplannen. Die tekeningen liggen overigens nog altijd in een tekeningenkoker bij mij thuis. In het weekend werkte ik vaak mee aan de herinrichting. In de loop van 1971 kon de Gaja, die op loopafstand van het Centraal Station een ligplaats had, in gebruik worden genomen. Tot begin 1982 heeft de boot een belangrijke rol in de organisatie gespeeld, tot zij in maart van dat jaar voor het symbolische bedrag van 1 gulden overgedragen werd aan de ‘Stichting Gaja’.

De ‘Werkgroep Bibliotheek en Documentatie’, die deel uitmaakte van de Werkgroep Voorlichting, was inmiddels ook van start gegaan. De boeken verhuisden naar de ‘Gaja’. Samen met Jan van de Linden, van wie ik de kneepjes van het bibliotheekvak leerde, en Wim van Asselt hebben we gedurende vele jaren aan de bibliotheek gewerkt. In 1972 hadden we al een eenvoudige catalogus gemaakt en voorjaar 1973 maakten we ons eerste jaarverslag voor het bestuur. In 1979 brachten we de eerste ‘officieel’ gedrukte versie van de bibliotheekcatalogus uit, waarvan Kees Lampers het leeuwendeel voor zijn rekening nam. In 1985 maakten we een aanvulling daarop. In 1989 verhuisde de Bibliotheek van Amsterdam naar ‘De Expeditie, Werkgemeenschap voor Geweldloze Verandering’ in Amersfoort. Enkele jaren later is de bibliotheek naar Zwolle gegaan, waar het secretariaat al enige tijd gevestigd was. Aan de ‘Werkgroep Bibliotheek en Documentatie’ was toen een einde gekomen, omdat de reisafstand voor de leden te groot werd.

Toen ik in 1974 wat kritische opmerkingen over het tijdschrift maakte, dat sinds 1972 de naam ‘Geweldloos Aktief’ gekregen had, werd ik gevraagd om in de redactie te komen. Waar die kritiek over ging weet ik niet meer, maar van oktober 1974 tot nu toe maak ik deel uit van de redactie. Ik heb dat ook altijd leuk werk gevonden. Niet dat ik er zelf toe kom om artikelen te schrijven, maar de binnengekomen artikelen bekijken en daar samen over praten, ook om ze begrijpelijk en leesbaar te maken, is wel iets wat me ligt.

Nadat de Stichting voor Geweldloze Weerbaarheid (‘het Centrum’) en de in 1976 ontstane Stichting Voorlichting Actieve Geweldloosheid (‘de SVAG’) op 1 juli 1991 fuseerden tot de Stichting voor Actieve Geweldloosheid (SVAG), werd ik ook bestuurslid van de nieuwe stichting totdat ik op 28 maart 1993 besloot af te treden. Voor de SVAG bleef ik alleen nog deelnemen aan de redactie van het tijdschrift. Het was een periode waarin ik door een teveel aan activiteiten wat gas moest terugnemen.”

Andere activiteiten
“Tussen 1979 en 1986 werkte ik ook mee met de Haagse Werkgroep Geweldloze Weerbaarheid, een plaatselijk samenwerkingsverband tussen het Haags Interkerkelijk Vredesoverleg, Kerk en Vrede, Pax Christi en het Centrum. De belangrijkste activiteit was het organiseren van diverse series informatie- en gespreksavonden. Volgens mij heb jij,Wim, daar ook twee keer een lezing gehouden. Daarnaast stonden we vaak met een informatiekraampje op diverse manifestaties. Op bijeenkomsten heb ik daar geleerd lezingen te geven. Een bij Pax Christi tewerkgestelde dienstweigeraar, Jeroen van de Loo, deed het secretariaatswerk. Met Jeroen ben ik bevriend geraakt. Hij trouwde met Teresa, een Poolse. Zo werden we ook een keer in Polen uitgenodigd. Daar hebben we weer mensen ontmoet, waarmee het direct klikte. Het zijn heel goede vrienden van Annet en mij geworden en we komen daar regelmatig. In Polen zijn we weer betrokken geraakt bij de daklozenorganisatie Barka in Poznan. Bij Barka vroegen ze mij of ik voor hun straatkrant (het is eerder een mooi gedrukt magazine, niet te vergelijken met de Nederlandse straatkranten) een fotoreportage wilde maken van een van mijn reizen. Ik wilde graag mijn bijdrage leveren aan deze sympathieke organisatie. Teresa vertaalde mijn verhaal over Nepal in het Pools en het is dit jaar fraai gedrukt in hun krant verschenen. Blijkbaar is het hun goed bevallen, want ze hebben mij voor een volgend artikel gevraagd. Hoe een balletje kan rollen…

Ik had ook mijn activiteiten op het terrein van de amateur-astronomie. Ik was inmiddels secretaris van de ‘Werkgroep Zon’ van de ‘Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde’ (KNVWS) geworden. Dat is een werkgroep van zonnewaarnemers. Zelf neem ik af en toe waar met een kleine telescoop, lees veel over de laatste astronomische ontwikkelingen en ben vijf maal op expeditie gegaan naar een totale zonsverduistering. Ik zorgde er wel voor dat de reis gekoppeld was aan een interessante vakantie, zodat, als de zon achter een wolk zit, de verre reis toch de moeite waard was. Het is me overigens maar eenmaal overkomen dat de zon tijdens de totaliteit achter een grote wolk zat. Dat secretariaat van de werkgroep heb ik enkele jaren geleden overgedragen.
Van 2000 tot 2008 ben ik voorzitter geweest van de regionale afdeling van ROVER (vereniging Reizigers Openbaar Vervoer) in Midden-Holland. Ik ben trouwens nog steeds actief lid van de afdeling. Als forens tussen Gouda en Den Haag had ik kritiek op het openbaar vervoer. Dan is mijn instelling: ik kan wel klagen, maar ik kan er ook iets aan doen. Inmiddels heb ik als vrijwilliger veel geleerd over het ‘vak’ vervoer en het boeit me erg. En het is leuk, als we onze ideeën later weer terug zien in de praktijk.”

Meditatie
Je zei dat je op een gegeven moment ging mediteren, kun je daar wat meer over zeggen?

“Rond 1968 voelde ik me niet zo gelukkig. Ik zocht naar een manier om mijn evenwicht terug te vinden. Zoals ik vertelde, heb ik in mijn jeugd al een vrij brede oriëntatie op religie gekregen. Ik had al veel gelezen over meditatie en probeerde of het mij kon helpen. En inderdaad, het bleek te werken. In 1984 heb ik mij bij een Zen-groep in Den Haag aangesloten. Voor mij is Zen aantrekkelijk omdat je gebruik kunt maken van de eeuwenlange ervaringen met mediteren, en aan de andere kant kent Zen geen enkel dogma. Er wordt steeds gewezen naar je eigen unieke ervaringen. Ik kreeg te maken met de Zen-school van Thich Nhat Hanh, een Vietnamese Zen-meester, die erg bekend is in de vredesbeweging, onder andere door zijn boeken als ‘Lotus in een zee van vuur’ en ‘Vredelevend’. Zijn levenslessen zijn heel praktisch. Ik mediteer nu af en toe bij een ZEN-groep in Schiedam. Daarnaast kom ik sinds 2002 ook bij het Advaita-centrum in Gouda, waar ik weer nieuwe aspecten van mediteren heb geleerd. Mediteren in een groep vind ik heel zinvol. Het versterkt je eigen motivatie om ook thuis regelmatig te mediteren.

Meditatie is geen geloof, maar een universeel toepasbare methode. Hoe meditatie werkt zal ik proberen uit te leggen aan de hand van een enigszins vereenvoudigd schema. Ieder levend wezen is in principe opgebouwd uit de volgend lagen:
1.een lichaam;
2.gevoelens en emoties;
3.het mentale, denken;
4.geest, boeddha-natuur of hoger zelf (al naar gelang de religieuze traditie).
Overigens, exact uit het Grieks vertaald, zou het begrip ‘Het Koninkrijk Gods is in u’ ook heel goed bij de vierde categorie kunnen thuishoren. Bij eenvoudige diersoorten functioneert vooral het lichaam. Gevoelens en denken zijn niet of hooguit latent aanwezig. Maar bij meer ontwikkelde diersoorten als katten, honden of mensapen, kunnen we het functioneren van lichaam en gevoel duidelijk herkennen en ook het begin van enig verstand waarnemen. Bij de mens is dat allemaal sterker ontwikkeld en zijn we op weg om de vierde laag te ontdekken.

Van de vier lagen is het lichaam de meest grove en sterkste vorm en de geest de meest fijne en subtiele. Het lichaam is sterker dan emoties en kan die onderdrukken. Bijvoorbeeld door hard te werken. Maar zodra men stopt met werken en het lichaam rust krijgt, steken die emoties weer de kop op. Ook de psychiater laat een cliënt ontspannen op de bank liggen om de gevoelens toe te laten.
Op hun beurt zijn de emoties sterker dan het denken. Probeer maar eens een emotioneel persoon met argumenten van gedachte te laten veranderen, dat lukt nooit. Om helder te kunnen denken, moeten de gevoelens in balans en rust zijn.

Voor de laatste stap om iets van de geest te ervaren, moeten gedachten op hun beurt in rust zijn.

Bij meditatie brengt men het lichaam, gevoelens en het denken in evenwicht en tot rust. Maar men blijft wel helder en wakker. Als men voor het eerst met meditatie begint, kan er van alles gebeuren: er komen allerlei gevoelens of gedachten naar boven. Neem ze waar en laat ze los, maar onderdruk ze nooit. Op den duur zullen ze minder worden en verdwijnen. Er zijn allerlei hulpmiddelen om gedachten tijdens de meditatie tot rust te brengen, zoals het tellen van de ademhaling. Anderen zullen meer baat hebben bij een mantra of een visualisatie. Dat ligt aan ieders karakter. Het voert te ver om hier dieper op in te gaan. Er bestaat veel goede informatie over.

Uiteindelijk leiden alle methoden naar (letterlijk) ont-dekking van het hogere zelf. Het is er, maar je moet het leren zien. Veel mensen kennen de spontane manifestatie van het hogere zelf wel. Je neemt bijvoorbeeld een mooie zonsondergang waar, je gedachten zijn heel rustig, je hebt een vredig gevoel en je voelt je op een gegeven moment helemaal één met de natuur. Het hogere zelf is moeilijk uit te leggen, maar wie een beetje ervaring heeft herkent wel de volgende woorden: thuiskomen, innerlijke ruimte, vrijheid, absolute éénheid, onvoorwaardelijke liefde, geluksgevoel. Bij verdergaande meditatie lossen ook deze kwaliteiten op en is er een serene stilte en leegte. Het bewustzijn neemt dat waar zonder te denken. Je vindt dit ook terug in de mystieke teksten van alle religies. Blijkbaar is het een universele ervaring, die niet afhankelijk is van welke godsdienst dan ook. In het verleden waren zulke belevingen zeldzaam. Ik krijg het idee dat, door het zich ontwikkelende bewustzijn, steeds meer mensen die beleving krijgen. Deze ervaringen zijn deel van mijn dagelijks leven gaan uitmaken. In het begin had ik vaak een stille omgeving nodig om te kunnen mediteren en ik vind dat nog steeds prettig. Maar later wordt elke willekeurige tijd en plaats geschikt om weer naar binnen te keren en die ervaring vast te houden tijdens mijn dagelijkse werkzaamheden. Het gaat gewoon gemakkelijker, omdat je de weg weet.

Door ervaringen tijdens de meditatie verandert bij veel mensen op subtiele wijze het karakter. Ik had het eerst niet door, maar mijn vrouw zag dat ik veranderde. Zo was ik tamelijk introvert en ze ontdekte dat ik veel opener ben geworden.
Door meditatie leer je jezelf beter kennen. Geleidelijk aan word je je bewust van allerlei ongewenste kenmerken van het ego, zoals hoogmoed en frustraties. Je pelt het ego stapje voor stapje af als het schillen van een ui. Dan verdwijnt ook de motivatie om geweld te gebruiken. Je komt steeds dichter bij je eigen essentie en wordt er eenvoudiger door. Eigenlijk word je een gewoon mens, zoals de mens bedoeld is. Bij twee mensen heb ik grote eenvoud en openheid op inspirerende wijze gezien. Zowel Lea Provo (een Belgische vrouw die in India een plattelandsgemeenschap opzette, gebaseerd op Gandhi’s ideeën) als Thich Nhat Hanh (die ik hiervoor al noemde) heb ik mogen ontmoeten en zij ‘straalden’ voor mij direct het gevoel uit dat het leven in wezen heel eenvoudig is. Dat ondanks het feit dat ze in hun leven heel wat problemen moesten overwinnen.

In de literatuur worden over die verandering van karakter de volgende veel voorkomende aspecten genoemd:
zelfkennis;
grotere tolerantie;
teleurstellingen worden gemakkelijker aanvaard;
beledigingen worden niet meer als kwetsend ervaren;
angst en vrees verminderen;
leven in het hier en nu;
eenvoud en bescheidenheid;
bevrijding van denken in tegenpolen, dus ook van vijanddenken;
mededogen met alle levende wezens;
geweldloosheid.
Deze lijst is allerminst compleet, maar geeft een idee welke veranderingen in meer of mindere mate kunnen plaatsvinden.”

Bewustzijnsontwikkeling
“Het leven op aarde maakt in miljoenen jaren een bewustzijnsontwikkeling door. Het begint met eencelligen, waar al wel een bewustzijn aanwezig is, maar dat nog aan het begin van de ontwikkeling staat. Dat loopt door tot de huidige mens met een aanzienlijk ontwikkeld bewustzijn. Dit proces gaat nog steeds verder. In dit kader past het idee van reïncarnatie heel goed. Een leven is veel te kort om die hele ontwikkeling door te maken. Daar zijn vele, vele levens voor nodig.

De mensheid maakt bepaalde fasen door die te vergelijken zijn met ieders persoonlijk leven: je begint als kind, wordt puber en tenslotte volwassen. Naar mijn idee zit de mensheid over het algemeen in de fase van de pubertijd. Eeuwenlang kreeg men van buitenaf, voornamelijk via de godsdiensten, leefregels aangereikt, denk bijvoorbeeld aan de Tien Geboden. Dat komt overeen met ouders die hun kinderen met duidelijke regels opvoeden. We zien de laatste decennia dat men steeds meer afkeer krijgt van vaste regels, en juist de grenzen daarvan opzoekt of er soms overheen gaat. Maar het is ook de tijd van nieuwe ontwikkelingen en kansen. Je herkent daar het gedrag van pubers in. Blijkbaar is dat nodig om volwassen te worden.

We spraken over de vraag waarom de mens tot geweld komt en welke ontwikkeling nodig is om dat te verminderen. Geweld komt niet van buitenaf, het zit in de mens zelf. Daarmee zeg ik niets nieuws. Ik zie het ego als de belangrijkste oorzaak van geweld. Op zichzelf is het ego niet goed of slecht. Het is nodig in het bewustwordingsproces; het leren kennen van goed en kwaad. Maar juist de duistere kanten van het ego zorgen voor de problemen. Die zijn er op gericht om belangrijker te willen zijn dan een ander. Vanuit superioriteitsgevoel, vooroordelen, angst, vijanddenken of frustratie reageert men meestal met machtsuitoefening en wraak. Dat zie ik als belangrijke bronnen van geweld.

Veranderingen in gedrag kunnen we op verschillende manieren leren. Bewust worden van de eigen drijfveren is daarin essentieel. Informatie helpt zeker, alleen is dat niet voldoende voor een wezenlijke verandering. Training kan veel tot stand brengen. Meditatie kan ook een goede bijdrage leveren. Met name de Vipassana-meditatie is een effectieve manier om jezelf beter te leren kennen. Men leert gevoelens en gedachten, die tijdens de meditatie naar boven komen, op te merken, kort te benoemen en weer los te laten. Op deze wijze leert men zijn eigen gevoels- en gedachtepatronen herkennen en krijgt men een reëler beeld van zichzelf. Op den duur verliezen deze patronen hun kracht. Het belangrijkste gevolg is dat men minder wordt beheerst door het ego, verantwoording neemt voor zijn eigen daden en niet meer de schuld van eigen problemen bij een ander legt.

Ik denk dat door het voortgaande bewustwordingproces we als mensheid meer volwassen zullen worden. Geweld zal niet verdwijnen, maar we zullen leren daar steeds beter mee om te gaan. Ik zie de Verenigde Naties en het opstellen van de Mensenrechten als goede stappen in die ontwikkeling. Het is belangrijk dat we op het persoonlijk vlak gaan leren om van binnenuit, in vrijheid, liefdevol en uit respect met de natuur en elkaar om te gaan. Opgelegde regels zijn niet in elke situatie toepasbaar. Bijvoorbeeld je hebt onderduikers in je huis en soldaten vragen of je mensen verstopt hebt. Je mag niet liegen, maar wat zeg je dan? Ieder kan per situatie haar of zijn keuze maken en neemt daar de verantwoording voor, als die keuze maar genomen is op basis van mededogen en men zich goed bewust is van de eigen, zuivere motieven. Daardoor kan het best gebeuren dat in dezelfde situatie de keuze van de ene persoon anders is dan die van een andere.”

Actieve Geweldloosheid
“Persoonlijke ontwikkeling is de ene zijde van geweldloosheid, de andere zijde is de theorie en praktijk. Het ene kan niet zonder het andere. Daarom vind ik het belangrijk dat er een organisatie is die tot doel heeft theorie en praktijk van de geweldloosheid te bevorderen. Bevorderen, omdat je als kleine organisatie niet alles kunt doen, maar anderen ook kunt inspireren tot verder onderzoek en toepassing.
Ik vind het dan ook een goede ontwikkeling dat tegenwoordig veel meer het verband gelegd wordt tussen het persoonlijke inzicht en de praktijk. Vooral voor de persoonlijke kant had het actiewereldje weinig oog. Het gevolg was dat men het eigen geweld niet zag (of het zelfs goedkeurde) en geweld met geweld ging bestrijden. Daarmee bereik je bepaald geen vrediger wereld.
Het woord geweldloos mag dan ingeburgerd zijn voor afwezigheid van fysiek geweld, met het verspreiden van kennis over de diepere achtergronden valt nog een wereld te winnen. Ik denk dat we met informatie en trainingen op de goede weg zijn. Met onze voelhorens uit kunnen wij als SVAG inspelen op de maatschappelijke ontwikkelingen en doen wat in ons vermogen ligt. Maatschappelijke veranderingen kunnen soms tergend langzaam gaan, maar soms ook verbazend snel.”

 

(1) De Theosofische Vereniging werd in 1875 in New York gesticht. Zij stelt zich drie doeleinden: 1) het vormen van een kern van de algemene broederschap der mensheid, zonder onderscheid van ras, geloof, geslacht, kaste of kleur; 2) het aanmoedigen van de vergelijkende godsdienststudie, en van de studie van filosofie en wetenschappen; 3) het onderzoeken van onverklaarde natuurwetten en van de krachten die in de mens sluimeren. In een groot aantal landen, waaronder België en Nederland, zijn plaatselijke afdelingen. De Vrij-Katholieke Kerk werd in 1916 als Liberal Catholic Church door twee vooraanstaande Engelse theosofen opgericht. Het is een onafhankelijk kerkgenootschap van gnostisch-theosofische signatuur, welke de oud-katholieke geloofspraktijk overgenomen rituelen en sacramenten grondig heeft herzien. Ook niet-christelijke elementen, zoals het geloof in reïncarnatie, karma en de ‘Meesters van Wijsheid en Mededogen’ vormen een belangrijk bestanddeel van het vrij-katholieke gedachtegoed.

 

*Wim Robben is sinds najaar 1969 betrokken bij het werk van Stichting / Centrum voor Geweldloze Weerbaarheid en de Stichting voor Actieve Geweldloosheid, met betrekking tot onderzoek, voorlichting en training. Dit artikel is geschreven in het kader van een reeks gesprekken die hij had met nauw betrokkenen bij deze organisaties die gedurende langere tijd, vijftien jaar of meer, actief zijn geweest, of hij heeft gesproken met hun partner of kinderen indien zij zijn overleden. Centrale vragen hierbij waren onder andere: wie zijn de mensen die gedurende vele jaren zich hebben ingezet voor het werken aan geweldloze weerbaarheid en actieve geweldloosheid? Waar hebben ze zich mee bezig gehouden binnen deze organisaties en wat heeft hen hiertoe gemotiveerd. Uit wat voor thuissituatie komen ze, en waar lag de belangstelling van hun ouders, onder andere in relatie tot hun werk, hun geestelijke of religieuze oriëntatie en eventuele politieke betrokkenheid, en hoe is die van henzelf. Hoe verliepen hun jeugdjaren, ontstonden persoonlijke relaties en eventueel een gezin, en met welke werkzaamheden en activiteiten hielden zij zich in hun verdere leven bezig? Hoe kijken ze terug op hun betrokkenheid bij deze organisaties en op het belang van geweldloze weerbaarheid en actieve geweldloosheid voor mens en samenleving.
[De artikelen zijn gepubliceerd op de website www.geweldlozekracht.nl onder WEB100.B1.].